ICD-10 codeadviezen januari 2020 gepubliceerd

U kunt vanaf vandaag de ICD-10 codeadviezen van januari 2020 downloaden via deze pagina. Aan de bestaande ICD-10 codeadviezen zijn vijf nieuwe adviezen toegevoegd en vijf gewijzigd. Aan advies 0-2 is een lijst met minimaal te coderen comorbiditeiten en risicofactoren als bijlage toegevoegd. Verder is een aantal kleine tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Een overzicht van de wijzigingen vindt u op pagina 129 van het document.

Lijst met minimaal te coderen comorbiditeiten en risicofactoren (bijlage bij advies 0-2)

Het coderen van nevendiagnosen roept vaak de vraag op: wanneer is een (chronische/voorgaande) aandoening, die niet in de conclusie wordt genoemd, wel of niet relevant voor een opname? Deze afweging is voor codeurs vaak moeilijk te maken en mogelijk wordt hier verschillend mee omgegaan. Om codeurs te ondersteunen bij het registreren van nevendiagnosen en meer uniformiteit van de ICD-10 diagnoseinformatie binnen de LBZ-data te bewerkstelligen, heeft de expertgroep ICD-10 een lijst opgesteld met minimaal te coderen comorbiditeiten en risicofactoren waarvan het advies is om deze altijd te registreren wanneer deze bij de patiënt worden vermeld. Het betreft aandoeningen en risicofactoren waarvan aannemelijk is dat zij van invloed zijn op de gezondheid, behandeling en/of prognose van de patiënt.

Als basis voor de lijst is een selectie uit de Charlson index gebruikt, aangevuld met suggesties vanuit de expertgroep. Omdat niet alle aandoeningen op de Charlson index door de expertgroep als chronisch en/of relevant worden beschouwd, is de Charlson index niet in zijn geheel overgenomen. 

Op de lijst staan:

  • Chronische aandoeningen en factoren die de gezondheidstoestand beïnvloeden -> Indien vermeld, worden deze te allen tijde aanvullend gecodeerd.
  • Aandoeningen en factoren die de gezondheidstoestand beïnvloeden die mogelijk genezen/overgaan -> Indien vermeld, worden deze uiteraard alleen gecodeerd als ze nog actueel zijn.

In beide gevallen hoeven de aandoeningen niet per se een relatie tot de opname te hebben.

De lijst is als bijlage aan codeadvies 0-2 ‘Coderen van nevendiagnosen en risicofactoren bij (dag)opnamen binnen de LBZ’ toegevoegd, achteraan het document codeadviezen. Het advies is om met ingang van registratiejaar 2020 de lijst met minimaal te coderen comorbiditeiten en risicofactoren als richtlijn voor de codering van nevendiagnosen, aan te houden.

De lijst is nog niet compleet; alleen aandoeningen waarover binnen de expertgroep overeenstemming is, zijn opgenomen. Deze lijst (en mogelijk de lay-out) is dus nog niet volledig, maar gezien de noodzaak om dit zo snel mogelijk beschikbaar te stellen hebben we ervoor gekozen het (voorlopig) in deze vorm te doen. Suggesties voor het opnemen van aandoeningen, of andere ideeën, kunnen worden doorgegeven aan info@dhd.nl en zullen door de expertgroep worden beoordeeld.


Welke opnamen moeten gecodeerd worden aangeleverd?

DHD krijgt van ziekenhuizen wel eens de vraag welke opnamen ze moeten aanleveren aan de LBZ en welke opnamen ze moeten voorzien van diagnosecodes. Op deze pagina vindt u de antwoorden op een aantal veelgestelde vragen over het belang en de manier van aanleveren van opnamen aan de LBZ. 


Erratum

Het RIVM heeft onlangs een nieuw erratum (2019-1) ten behoeve van de ICD-10 boekenset toegevoegd. Het erratum vindt u op deze pagina. Dit erratum heeft het RIVM ook verwerkt in het ICD-10 bestand ICD-10-2014v13v-O3-C voor gebruik in de LBZ. Het excelbestand vindt u op deze pagina.